Om een netwerk interface handmatig te configureren, moet je ook andere netwerk instellingen opgeven voor je computer. Al deze instellingen betreffen IP adressen van andere systemen op het netwerk.
Een gateway is het apparaat dat toegang biedt tot andere netwerken. Gateways worden ook aangeduid als routers. Als je systeem kontakt maakt met andere netwerken via een gateway, vul je zijn IP adres in het Gateway veld in.
De meeste software vertrouwt op de DNS (Domain Name Service) leverancier om machines en diensten op het netwerk te lokaliseren. DNS zet computernamen om in IP adressen en omgekeerd. Een Fedora systeem kan meer dan een DNS server gebruiken. Als de primaire DNS server niet reageert, zendt de computer elk verzoek naar de secondary DNS server, enzovoort. Om de DNS servers aan te geven, type je hun IP adressen in de Primary DNS of Secondary DNS velden.
Selekteer als je tevreden bent met de netwerk instellingen voor je systeem.